Rij- en rusttijden

1. In de EU

Met ingang van 11 april 2007 worden de rij- en rusttijden vastgelegd door de Verordening nr. 561/2006. Ten gevolge van de gedeeltelijke inwerkingtreding van het nieuwe Mobility Package zijn enkele regels betreffende de rij- en rusttijden gewijzigd sinds 20 augustus 2020.

Toepassingsgebied

Sinds 2007 zijn in Verordening (EG) nr. 561/2006 regels vastgesteld voor de rijtijden, onderbrekingen en rusttijden die chauffeurs in het goederen- of personenvervoer over de weg in acht moeten nemen. In artikel 2 wordt het toepassingsgebied omschreven. De Verordening is van toepassing op het wegvervoer: * Goederen door voertuigen, met inbegrip van voertuigen met aanhangwagens of opleggers, met een maximaal toegestane massa van meer dan 3,5 ton; * Passagiers in voertuigen die permanent zijn gebouwd of toegerust voor het vervoer van meer dan negen personen, met inbegrip van de bestuurder, en die voor dat doel zijn bestemd.

Onder vervoer over de weg wordt verstaan elke verplaatsing die, geheel of gedeeltelijk, over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt, in lege of beladen toestand, door een voertuig, bestemd voor het vervoer van personen of goederen. (Artikel 4, onder a)).

Het begrip "verplaatsing" is niet gedefinieerd. Dit is een activiteit in het wegvervoer die wordt onderbroken door een andere activiteit. Een rit naar een plaats van lading, het laden van passagiers, de daaropvolgende rit naar de plaats van bestemming en het lossen op de plaats van bestemming maken deel uit van eenzelfde verplaatsing. Een nieuwe verplaatsing begint als de chauffeur een nieuwe opdracht uitvoert. Voorbeeld: een chauffeur vertrekt vanuit het depot en rijdt naar Brussel waar hij de passagiers laadt en naar Bastogne brengt. In Bastogne zorgt hij voor de andere reizigers die hij naar Tielt vervoert. Dit is een nieuwe verplaatsing. Na het afzetten van de passagiers keert hij leeg terug naar het depot in Gent om zijn dagelijkse missie te voltooien. Dit is de derde verplaatsing.

Zijn uitgesloten van het toepassingsgebied: * Voertuigen met maximaal 9 personen * (Bijzonder) Geregeld vervoer over een traject van niet meer dan 50km * Voertuigen van strijdkrachten, civiele bescherming, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde * Voertuigen toegewezen aan medische doeleinden * Voertuigen die zijn toegewezen aan reparatie- en wegslepen die binnen een straal van 100 km rond hun standplaats werken * Voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen en -examens met het oog op het verkrijgen van een rijbewijs of een getuigschrift van een rijbewijs/vakbekwaamheid en die niet worden gebruikt voor commerciële doeleinden (Belgische uitzondering) * Voertuigen met 10 tot 17 zitplaatsen die uitsluitend worden gebruikt voor niet-commercieel personenvervoer (Belgische uitzondering)

Ongeacht het land van inschrijving van het voertuig is Verordening 561/2006 van toepassing op het wegvervoer binnen de Europese Unie of tussen de Europese Unie, Zwitserland en de landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).

Leeftijdsvoorwaarden

De minimum leeftijd voor bijrijders is 18 jaar. Bijrijders zijn de personen in het personenvervoer die de tickets controleren en verantwoordelijk zijn voor de controle in het algemeen. Deze functie is door de loonkosten bijna verdwenen. Inderdaad, als er een controle is, zal deze meestal door de chauffeur worden uitgevoerd. De leeftijdsvoorwaarden voor chauffeurs zijn niet vastgelegd in de verordening. Zij zijn opgenomen in Richtlijn 2006/126 (rijbewijzen) en Richtlijn 2003/59 (vakbekwaamheid). Om een bus te besturen moet de chauffeur 20 jaar oud zijn als hij alleen in België rijdt en 21 jaar als hij elders dan in België rijdt.

Belangrijke begrippen

1) Maximale rijtijd en minimale rusttijd 2) Te herinnering: weekbegrip in vervoercontext (maandag 00.00 tot zondag 24.00) 3) Geen werkdagen maar werkperiodes 4) Geen werkweken maar 6 werkperiodes en een wekelijkse rusttijd

Rijtijd

De rijtijd komt overeen met de duur van de rijactiviteit die automatisch door de tachograaf of, in geval van storing in de tachograaf, handmatig wordt geregistreerd. De rijtijd komt dus overeen met de tijd die daadwerkelijk achter het stuur wordt doorgebracht. Een stilstand in de file of een halte bij een rood licht, worden beschouwd als rijtijd. De tijd die wordt besteed aan andere taken, zoals het laden en lossen of het vervullen van douaneformaliteiten, kan echter niet als arbeidstijd worden beschouwd. De meeste controletoestellen registreren automatisch de rijtijd wanneer de wielen in beweging zijn. De chauffeur mag de rijtijd alleen handmatig aanpassen op oudere analoge besturingstoestellen.

Dagelijkse rijtijd: de totale bij elkaar opgetelde rijtijd tussen: * Het einde van de ene dagelijkse rusttijd en het begin van de volgende dagelijkse rusttijd; * Het einde van een dagelijkse rusttijd en het begin van een wekelijkse rusttijd. Deze rijtijd wordt eregistreerd onder het teken van het stuurtje. 3 rijtijdlimieten : * Per dag * Per week * Over twee opeenvolgende weken

De dagelijkse rijtijd

De dagelijkse rijtijd is de totale rijtijd tussen twee dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd. De dagelijkse rijtijd mag niet meer dan 9 uur bedragen en kan maximaal tweemaal per week worden uitgebreid tot 10 uur. Onder ‘week’ wordt verstaan de periode tussen maandag 00.00 uur en zondag 24 uur. Opgelet: een rijtijd van 9u05 telt als 10 uur!

De wekelijkse rijtijd

De wekelijkse rijtijd mag niet meer dan 56 uur bedragen (artikel 6, §2 van Verordening 561/2006). Voor de berekening van de wekelijkse rijtijd is het noodzakelijk om alle rijtijden op te tellen die in één week zijn geleverd. Ter herinnering: de week is de periode tussen maandag 00.00 uur en zondag 24.00 uur. Waarom 56 uur? Dit is het resultaat van de som van maximaal 4 rijtijden van 9 uur en maximaal 2 rijtijden van 10 uur.

Tweewekelijkse rijtijd

De totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag niet meer bedragen dan 90 uur. De rijtijd van de opeenvolgende weken moet worden opgeteld om het totaal over twee weken te bepalen. U moet dus niet alle rijtijden tussen twee wekelijkse rusttijden optellen, maar de totale rijtijd in één week, ook al komt de arbeidstijd van de bestuurder niet overeen met een vaste week.

Onderbreking van de rijtijd

Niet alleen is de rijtijd beperkt tot 9 of 10 uur, maar de chauffeur moet ook zijn rijtijd onderbreken. Algemene regel

Na een rijperiode van 4,5 uur neemt de chauffeur een aaneengesloten onderbreking van ten minste 45 minuten, tenzij hij een rusttijd neemt.

Uitzondering / Gefractioneerde

De pauze van 45 minuten kan worden vervangen door een pauze van minstens 15 minuten, gevolgd door een pauze van minstens 30 minuten, zodat de maximale rijtijd van 4u30 niet wordt overschreden (artikel 7, §2 van de Verordening). Praktisch:

OK : 2u + (15’) + 2u30 + (30’) 2u + (15’) + 1u + (30’) + 1u30

Niet OK: 2u + (10’) + 1u + (15’) + 1u30 + (20’) 2u + (30’) + 2u30 + (15’) 2u + (15’) + 1u + (15’) + 1u30 + (15’)

Wat is een pauze, een onderbreking? In artikel 4, onder d), van de verordening wordt het begrip "onderbreking" gedefinieerd als elke periode waarin een bestuurder niet mag rijden of geen andere werkzaamheden mag verrichten en die uitsluitend dient om te rusten.

De werktijden die onder het begrip ‘andere werkzaamheden’ vallen, worden niet in aanmerking genomen als geldige pauzes in de rijtijden.

Opgelet! Pauzes van minder dan 15 minuten in de rijtijden worden niet beschouwd als wettelijke onderbrekingen van de rijtijd.

Andere werkzaamheden

Onder ‘andere activiteiten’ of ‘andere taken’ wordt verstaan elke activiteit als omschreven in artikel 3a) van Richtlijn 2002/15. In het artikel van de richtlijn in kwestie staat dat de ‘andere taken’ bestaan uit het laden en lossen, bijstand aan passagiers bij het in- en uitstappen, schoonmaken en onderhoud, het invullen van het reisblad, administratieve formaliteiten bij de politie of de douane, rijden dat niet onder Verordening 561/2006 valt (bijvoorbeeld geregeld vervoer van minder dan 50 km) ...

Voorbeeld: een chauffeur van De Lijn rijdt van 5.00 uur tot 13.30 uur met een bus en valt onder de afwijking met betrekking tot geregelde diensten. Van 15.00 tot 20.00 uur rijdt hij in een autocar. De tijd die als chauffeur van De Lijn wordt gewerkt, vormt een andere taak in de zin van Verordening 561/2006 en moet als zodanig worden geregistreerd.

Rusttijd

Een chauffeur moet dagelijkse en wekelijkse rusttijden nemen Onder "vrije beschikking over tijd" wordt verstaan de tijd gedurende welke de chauffeur niet onder het gezag van de werkgever staat. Als een chauffeur, zelfs onbetaald, onder het gezag van de werkgever staat, beschikt hij niet vrij over zijn tijd. Het aantal verkortingen wordt niet binnen een week (maandag 00:00 en zondag 24:00) gerekend, maar tussen twee wekelijkse rustperiodes. Het werkschema van de chauffeur mag niet overeenkomen met een "vaste week".  

Normale dagelijkse rusttijd Binnen elke periode van 24 uur na het einde van de voorafgaande vorige dagelijkse of wekelijkse rusttijd moet de chauffeur een nieuwe dagelijkse rusttijd genomen hebben. De periode van 24 uur is altijd een interval die elke dag op een ander uur kan beginnen. De normale dagelijkse rusttijd is iedere ononderbroken rusttijd van minstens 11 uur. De dagelijkse rusttijd mag ook in twee keer worden genomen, waarvan de eerste keer een ononderbroken periode van minstens 3 uur en de tweede keer een ononderbroken periode van minstens 9 uur.

Verkorte dagelijkse rusttijd Indien het deel van de dagelijkse rusttijd dat binnen deze periode van 24 uur valt minstens 9 uur maar minder dan 11 uur bedraagt, wordt die dagelijkse rusttijd beschouwd als een verkorte dagelijkse rusttijd. Een chauffeur mag niet meer dan 3 verkorte dagelijkse rusttijden nemen tussen twee wekelijkse rusttijden (artikel 4g en 8, § 2 en §3 van Verordening nr. 561/2006).

Referentieperiode van 24 uur De dagelijkse rusttijd moet worden genomen in elke periode van 24 uur na het einde van de vorige dagelijkse of wekelijkse rusttijd. Vaak wordt vastgesteld dat chauffeurs tussen twee dagelijkse werktijden lange rusttijden genieten, maar dat een deel van de rusttijd buiten de referentieperiode van 24 uur valt. De rusttijd buiten de referentieperiode mag niet worden beschouwd als geldige rusttijd voor de berekening van de dagelijkse rusttijd.

Dagelijkse rusttijd meervoudige bemanning

Rijden met meervoudige bemanning is een situatie waarin er zich tijdens elke rijperiode tussen twee opeenvolgende dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd minstens twee chauffeurs in het voertuig bevinden om elkaar af te lossen. Bij meervoudige bemanning is de aanwezigheid van een andere chauffeur of andere chauffeurs gedurende het eerste uur facultatief, maar gedurende de resterende periode verplicht (artikel 4 o), van de Verordening). De twee chauffeurs hoeven niet gedurende de hele reis dezelfde te zijn. In het personenvervoer is het niet ongewoon om van chauffeur te wisselen (zij verblijven onderweg in hotels en lossen elkaar af). Als een chauffeur slaapt terwijl de tweede chauffeur aan het rijden is, geldt dat niet als rusttijd, maar als tijd van beschikbaarheid. Een bestuurder die deel uitmaakt van een meervoudige bemanning kan een onderbreking van 45 minuten nemen in een voertuig dat door een andere bestuurder wordt bestuurd, mits de bestuurder die de onderbreking neemt, de bestuurder die het voertuig bestuurt, niet behulpzaam is (artikel 7, lid 3 van de Verordening). Een chauffeur die met het voertuig rijdt als lid van een meervoudige bemanning, moet een nieuwe dagelijkse rusttijd van minstens 9 uur hebben genomen binnen 30 uur na het einde van een dagelijkse of wekelijkse rusttijd (artikel 8, § 5 van de Verordening). De regel dat de dagelijkse rusttijd tussen twee wekelijkse rusttijden 3 keer mag worden verkort, is ook van toepassing.

Wekelijkse rusttijd Een wekelijkse rusttijd is een wekelijkse periode waarin een chauffeur vrijelijk over zijn tijd kan beschikken. De normale wekelijkse rusttijd is een periode van rust van ten minste 45uur. De verkorte wekelijkse rusttijd is een periode van rust van minder dan 45 uur die, onder voorwaarden, kan worden bekort tot minimaal 24 achtereenvolgende uren. Een wekelijkse rusttijd mag niet later beginnen dan aan het einde van 6 perioden van 24 uur, te rekenen vanaf het einde de vorige wekelijkse rusttijd. Een wekelijkse rustperiode die in twee weken valt, mag in één van beide weken geteld worden, maar niet in beide.

Per periodes van twee opeenvolgende weken neemt een chauffeur: * Twee normale wekelijkse rusttijden van minstens 45 uur: * Een normale wekelijkse rusttijd van ten minste 45 uur en een verkorte wekelijkse rusttijd van ten minste 24 uur. - De vermindering moet echter worden gecompenseerd door een gelijkwaardige rusttijd die vóór het einde van de derde week na de betrokken week en bloc wordt genomen - Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd moet aansluitend op een andere rusttijd van ten minste 9 uur worden genomen.

Kortom, het gebrek aan rusttijden moet worden gecompenseerd: * Voor het einde van de 3de week * Sluit het aan op een andere rustperiode van minstens 9 uur

Plaats van de wekelijkse rusttijden De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. De werkgevers zijn verplicht om te zorgen voor een degelijke accommodatie, voor zowel vrouwen als mannen, met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen. Eventuele kosten voor het verblijf buiten het voertuig worden door de werkgever gedekt (artikel 8 van de Verordening). De dagelijkse rusttijd en de verkorte wekelijkse rusttijd (24 uur) kunnen daarentegen onder bepaalde voorwaarden in een stilstaand voertuig worden genomen.

De Verordening verplicht de vervoersondernemingen nu ook om het werk van de bestuurders zodanig te organiseren dat zij binnen elke periode van vier opeenvolgende weken kunnen terugkeren naar zijn woonplaat of naar de exploitatievestiging van de werkgever, zodat hij ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie vaneen verkorte wekelijkse rusttijd kan nemen.

Indien de bestuurder echter twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden heeft genomen, plant de vervoersonderneming het werk van de bestuurder zodanig dat de bestuurder vóór het begin van de normale wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur die ter compensatie wordt genomen, kan terugkeren.

De onderneming licht toe hoe zij die verplichting vervult en houdt de documentatie bij op haar zetel om deze op verzoek ter beschikking te kunnen stellen van de controleautoriteiten (artikel 8, § 8bis van de Verordening).

Er moet worden benadrukt dat er geen alternatief is; de werkgever moet ervoor zorgen dat de bestuurder ten minste eenmaal per 4 weken naar huis of naar het operationeel basis van de onderneming terugkeert.

Onderbreking van de russtijd Wanneer een chauffeur een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, kan een normale dagelijkse rusttijd of een verkorte wekelijkse rusttijd worden onderbroken op voorwaarde dat: - de rusttijd mag hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten waarvan het geheel niet langer mag duren dan 1 uur; - tijdens de rusttijd moet de bestuurder kunnen beschikken over een bed of slaapbank. Deze onderbreking is ook mogelijk bij een normale wekelijkse rusttijd op voorwaarde dat: - de geplande reis ten minste 8 uur zal duren; en - de bestuurder toegang heeft tot een slaapcabine op de veerboot of de trein.

Afwijking ongeregeld internationaal personenvervoer : 12-dagen regel In afwijking van de regel dat een wekelijkse rusttijd moet beginnen na het einde van 6 periodes van 24 uur na de vorige wekelijkse rusttijd, mag een chauffeur die als enige een ongeregeld internationaal personenvervoer verricht, de wekelijkse rusttijd uitstellen met maximaal 12 periodes van 24 opeenvolgende uren vanaf de vorige normale wekelijkse rusttijd. Deze afwijking was ingegeven door het feit dat groepsreizen vaak meer dan zes dagen duren. Met inachtneming van de voorwaarden kan de chauffeur dus zijn wekelijkse rusttijd uitstellen om te vermijden dat hij de autocar aan de kant moet zetten.

Aan deze afwijking zijn verschillende voorwaarden verbonden: * De vervoersdienst omvat minstens één periode van 24 aaneengesloten uren in een ander land dan het land waar de dienst is begonnen. * De chauffeur neemt na toepassing van deze afwijking: - ofwel twee normale wekelijkse rusttijden (ononderbroken periode van 90 uur); - ofwel een normale wekelijkse rusttijd en een verkorte wekelijkse rusttijd van minstens 24 uur (ononderbroken periode van 69 uur). De vermindering moet echter worden gecompenseerd door een gelijkwaardige rusttijd die en bloc wordt genomen vóór het einde van de derde week na het verstrijken van de afwijkingsperiode. * Het voertuig is uitgerust met een digitale tachograaf. * Indien er tussen 22.00 uur en 6.00 uur gereden wordt, zijn er ofwel meerdere chauffeurs aan boord van het voertuig ofwel wordt de rijtijd teruggebracht tot 3 uur in plaats van 4u30.

Afwijking rij- en rusttijden om veiligheidsredenen

Om een geschikte stopplaats te bereiken, mag de chauffeur afwijken van de regels inzake rust- en rijtijden voor zover dat nodig is om de veiligheid van personen, van het voertuig of van zijn lading te waarborgen.

Het Mobility Package heeft nog twee afwijkingen op de rij- en rusttijden toegevoegd. Ten eerste, mag de bestuurder de dagelijkse of wekelijkse rijtijd met maximaal 1 uur overschrijden om zijn woonplaats of de exploitatievestiging van de werkgever te kunnen bereiken voor het nemen van een wekelijkse rusttijd. Ten tweede, mag de bestuurder eveneens de dagelijkse en wekelijkse rijtijd ook met maximaal 2 uur overschrijden, op voorwaarde dat onmiddellijk vóór het extra rijden een aaneengesloten onderbreking van 30 minuten is genomen, om zijn woonplaats of de exploitatievestiging van de werkgever te bereiken met het oog op het nemen van een normale wekelijkse rusttijd (artikel 12 van de Verordening).

De bestuurder moet uiterlijk bij aankomst op de bestemming of op de geschikte stopplaats de reden van de afwijking met de hand aantekenen op het registratieblad of op een afdruk van zijn controleapparaat of in het dienstrooster.

Iedere verlenging van de rijtijd wordt gecompenseerd door een equivalente periode van rust, die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc in combinatie met een rusttijd moet worden genomen.

Deze afwijkingen moeten als beperkend worden beschouwd en staan geen afwijkingen van rust- en rijtijden toe als de redenen voor het vertrek bekend zijn. Om de afwijkingen te kunnen inroepen, moet de chauffeur onverwacht geconfronteerd worden met de onmogelijkheid om de rij- en rusttijden te respecteren. Er is slechts sprake van noodzaak in heel specifieke en totaal uitzonderlijke situaties. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij slechte planning, verkeersdrukte en files tijdens de spitsuren. Bovendien zijn dergelijke afwijkingen alleen toegestaan op voorwaarde dat de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt.

Beschikbaarheidstijd

De beschikbaarheidstijd omvate de periodes die geen pauzes of rustperiodes zijn en waarin de chauffeur niet verplicht is om op zijn werkplek te blijven, maar beschikbaar moet zijn om te reageren op een mogelijke oproep om (opnieuw) te beginnen rijden of andere werkzaamheden uit te voeren.

Deze omvatten in het bijzonder: * periodes waarin de chauffeur een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd; * wachttijden aan de grenzen; * wachttijden in verband met een verkeersverbod; * de tijd die wordt doorgebracht in een rijdend voertuig naast de bestuurder of in een slaapcabine.

Amplitude of maximale diensttijd

De verordening beperkt indirect de diensttijd door elke 24 uur een minimumrusttijd op te leggen. Voorbeeld: de bestuurder moet 11 uur rust nemen, zijn diensttijd bedraagt maximaal 13 uur (24 uur-11 uur). Terwijl de arbeidstijd, de pauzes en rijtijdonderbrekingen uitsluit, omvat de diensttijd alle activiteiten, zelfs rijtijdonderbrekingen en andere beschikbaarheidstijd.

Algemene regel * In het geval van 11 opeenvolgende uren rust gedurende 24 uur: 24 - 11 = 13 uur. De maximale diensttijd is hier dus 13 uur. Begin van de dienst: 07.00 uur; einde van de dienst: niet later dan 20.00 uur;

* Bij dubbele bemanning: In dit geval moet elke chauffeur 9 opeenvolgende uren rust nemen over een periode van 30 uur: 30 - 9 = 21 uur.In dit geval is de maximale diensttijd 21 uur.Begin van de dienst: 07.00 uur; einde van de dienst: niet later dan 04.00 uur 's ochtends de volgende dag.

Afwijkingen * In het geval van 9 opeenvolgende uren rust gedurende 24 uur: 24 - 9 = 15 uur. De maximale diensttijd is hier dus 15 uur. Begin van de dienst: 07.00 uur; einde van de dienst: uiterlijk 22.00 uur; * In geval van verdeling van de normale rusttijd (11 uur over 24 uur): de normale dagelijkse rusttijd mag in twee perioden worden verdeeld, waarvan de eerste minstens 3 ononderbroken uren en de tweede minstens 9 ononderbroken uren telt. In dit geval is de diensttijd dus 15 uur. Begin van de dienst: 07.00 uur; einde van de dienst: niet later dan 22.00 uur. In deze laatste formule moet in totaal minstens 12 uur rust voor de chauffeur worden gepland.

Tijd besteed om zich naar een voertuig te begeven

Tijd besteed om te reizen naar een plaats om controle te nemen over een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt niet geteld als rust of een onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en een bed of slaapbank ter beschikking heeft.

Tijd besteed door een bestuurder om met een voertuig dat buiten het toepassingsgebied van deze Verordening valt, te rijden naar of van een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt en zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt geteld als "andere werkzaamheden".

Controle-instrument : de tachograaf

Algemeen De tachograaf is een toestel dat dient om de naleving van de bepalingen in verband met de reglementering van de rij- en rusttijden te controleren. De bepalingen met betrekking tot de tachograaf zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 165/2014. Ten gevolge van de gedeeltelijke inwerkingtreding van het nieuwe Mobility Package zijn enkele regels van de Verordening nr. 165/2014 gewijzigd sinds 20 augustus 2020.

Er bestaan drie soorten tachografen: * De analogische tachograaf die de rij- en de rusttijden mechanisch registreert door die op een schijf te griffen. * De digitale tachograaf die alle gegevens in het interne geheugen en op een geheugenchip opslaat. * De zogenaamde "intelligente" of "2de generatie" tachograaf, die de geolocatie en bewegingen van het voertuig registreert.

Na de invoering van de digitale tachograaf werd al snel duidelijk dat die niet bestand was tegen pogingen tot fraude (een gewone magneet kon het toestel deactiveren). Daarom moeten sinds 1 oktober 2012 de nieuwe toestellen uitgerust zijn met een tweede bewegingssensor om fraude te voorkomen en op te sporen.

De Verordening nr. 165/2014 voorziet met name in de verplichte installatie van de zogenaamde ‘intelligente’ tachograaf. Deze nieuwe tachograaf moet het mogelijk maken om voertuigen per satelliet te volgen en de tachograafgegevens op afstand op te vragen (inbreuken zullen altijd fysiek worden vastgesteld). Vanaf 15 juni 2019 moeten nieuw ingeschreven voertuigen die onderhevig zijn aan Verordening nr. 165/2014 worden uitgerust met de nieuwste versie van de digitale tachograaf.

Ten gevolge van het nieuwe Mobility Package zullen nieuwe gegevens moeten worden geregistreerd met behulp van een "intelligente" of "2de generatie" tachograaf. Deze nieuwe gegevens zijn de GPS positie van het voertuig bij een grensovergang en bij het laden en lossen van het voertuig. De Commissie moet de technische instructies voor deze nieuwe tachografen nog ontwikkelen. Zodra deze instructies zijn overeengekomen, moeten de tachografen binnen 3 of 4 jaar worden vervangen.

Toepassingsgebied De tachograaf moet geïnstalleerd en gebruikt worden in alle voor personen- en goederenvervoer bestemde voertuigen die vallen onder het toepassingsgebied van de Verordening nr. 561/2006. Voertuigen die niet onder het toepassingsgebied van deze Verordening vallen, moeten dus niet met een tachograaf uitgerust worden. Elke lidstaat kan echter wel eisen dat voertuigen die in principe niet met een tachograaf uitgerust moeten worden (zoals bijv. voertuigen van minder dan 3,5 ton MMA), toch een tachograaf moeten hebben voor het nationale vervoer over zijn grondgebied.

Installatie en inspectie Een tachograaf moet worden geïnstalleerd en gebruikt in geregistreerde voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van passagiers of goederen die binnen het toepassingsgebied van Verordening 561/2006 vallen. De tachografen zijn verzegeld, dus het is niet mogelijk om ze te wijzigen. Alleen erkende werkplaatsen mogen tachografen installeren, controleren of repareren (artikel 22 tachograafverordening). De erkenning kan enkel betrekking hebben op de installatie of de reparatie, of gelden voor beide bewerkingen, voor analoge of digitale tachografen, of beide categorieën.

De analoge en digitale tachografen van in België ingeschreven voertuigen worden geregeld aan een inspectie onderworpen. De inspectie omvat een tweejaarlijkse controle door de erkende werkplaatsen (artikel 23 van de tachograafverordening). Deze inspectie gebeurt met inbegrip van een ijking. Bij deze inspectie moet de installateur het installatieplaatje vernieuwen (artikel 27 van KB van 17 oktober 2016). Naast de regelmatige inspecties moet de tachograaf worden geïnspecteerd wanneer het voertuig in gebruik wordt genomen of opnieuw in gebruik wordt genomen, na elke reparatie, na elke wijziging in de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig of in de effectieve bandenomtrek of wanneer de UTC-klok (Coordinated Universal Time) een afwijking van meer dan 20 minuten heeft en ook wanneer een controleur (bv. politie, douanebeambte, inspecteur, sociale controleur) dat eist (artikel 27 van 17 oktober 2016).

Na deze inspectie moeten de werkplaatsen een inspectierapport opstellen als er onregelmatigheden in de werking van de tachograaf werden gecorrigeerd. Het verslag wordt minstens twee jaar bewaard (artikel 23 van de tachograafverordening). De erkende werkplaatsen moeten de opgeslagen gegevens in het geheugen van hun werkplaatskaarten downloaden. Deze gegevens worden minstens vier jaar bewaard (artikel 22 KB van 17 oktober 2016). Bovendien kunnen de erkende werkplaatsen de opgeslagen gegevens in het geheugen van de tachograaf downloaden. Deze gegevens mogen alleen aan de eigenaar van het voertuig worden doorgegeven. Na het downloaden van de gegevens moet een verslag worden opgesteld en gedurende vier jaar worden bewaard (artikel 23 KB van 17 oktober 2016). Uiteraard zijn de werkplaatsen ook onderworpen aan controles door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (artikel 26 Koninklijk Besluit van 17 oktober 2016).

Goedkeuring Goedgekeurde tachografen, bewegingssensoren, registratiebladen (schijven) of geheugenkaarten kan men herkennen aan het door het Ministerie van Econome uitgereikte goedkeuringsmerk. Dat goedkeuringsmerk bestaat uit een rechthoek met daarin een kleine letter « e », gevolgd door het onderscheidingsnummer van het land (6 voor België) en een goedkeuringsnummer.

Gebruik De vervoersondernemingen en de bestuurders staan in voor de goede werking en het goed gebruik van de tachograaf. Het is uiteraard verboden de op het registratieblad, op de tachograaf of op de bestuurderskaart opgeslagen gegevens te vervalsen, te verbergen, uit te wissen of te vernietigen. De vervoersondernemingen zorgen voor een goede opleiding van de bestuurders die tevens de juiste uitleg moeten krijgen over de correcte werking van de digitale zowel als van de analoge tachograaf. De ondernemingen moeten regelmatig controles uitvoeren om er zich van te vergewissen dat hun bestuurders de tachograaf correct gebruiken.

Analoge tachograaf De analoge tachograaf registreert de afgelegde afstand, de snelheid van het voertuig, de rijtijd, de beschikbaarheids- en de arbeidstijd, de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijden. De werkgever moet de bestuurders een voldoende aantal gehomologeerde registratiebladen overhandigen, rekening houdend met het individuele karakter van die bladen, de duur van de dienst en de vereiste om eventueel beschadigde of door een controleambtenaar in beslag genomen bladen te vervangen. De bestuurders mogen geen vuile of beschadigde registratiebladen gebruiken. Daarom moeten de registratiebladen degelijk beschermd worden. In geval van beschadiging van een blad waarop gegevens geregistreerd zijn, moeten de bestuurders het beschadigde blad bij het reserveblad voegen dat ter vervanging gebruikt wordt. De bestuurders gebruiken de registratiebladen voor elke dag dat ze rijden vanaf het tijdstip waarop ze het voertuig overnemen. Het registratieblad mag niet uit het apparaat genomen worden vóór het einde van de dagelijkse arbeidstijd, tenzij dit anders toegelaten is.

Digitale tachograaf De digitale tachograaf registreert de afgelegde afstand en de snelheid van het voertuig, meet de tijd en de activiteit van de bestuurder, registreert de identiteit van de bestuurder evenals de voorvallen en fouten. Om te kunnen nagaan of de toepasselijke wetgeving nageleefd wordt, registreert de intelligente digitale tachograaf automatisch ook de positie van het voertuig op de volgende punten via een systeem van satellietnavigatie: de plaats waar de werktijd begint, iedere drie uur van de opgetelde rijtijd en de plaats waar de dagelijkse werktijd eindigt. Alle voertuigen moeten op termijn met dit type tachograaf uitgerust worden.

Verscheidene kaarten Bestuurderskaart * kosten: 65 € (artikel 29, §4 KB van 17 oktober 2016) * geldigheidsduur: maximaal 5 jaar

Bedrijfskaart * kosten: 150€ (inclusief 21% btw); * maximale geldigheidsduur: 5 jaar; * toekenningsvoorwaarden: de onderneming moet ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

Controlekaart

Deze kaart geeft de bevoegde agenten toegang tot de gegevens in het geheugen van de voertuigunit. Met deze kaart kunnen ze met behulp van een computer alle gegevens op de bestuurderskaart en de bedrijfskaart controleren, registreren en afdrukken. Zij wordt gratis geleverd.

Werkplaatskaart

Deze kaart wordt gebruikt door de installateur of reparateur. Ze stelt erkende technici in staat om digitale tachografen te initialiseren, te ijken en te kalibreren. Zij kost 225€.

Verlies, diefstal, beschadiging of slechte werking van een in België uitgegeven kaart *Voor elk verlies of diefstal moet bij de politie een verklaring van bezitsverlies worden afgelegd (artikel 32 AR van 17 oktober 2016). * In geval van schade, slechte werking, verlies of diefstal moet de bestuurder bij Digitach om vervanging van zijn kaart vragen.

Wie te contacteren?

Chipkaarten zijn verkrijgbaar bij de dienst Digitach van het ITLB.

Opslag van schijven en afgedrukte gegevens + downloaden De bestuurder moet op verzoek van de controleambtenaren zijn bestuurderskaart, alle handmatig opgetekende gegevens en alle afdrukken van de lopende dag en van de voorgaande 28 dagen, de registratiebladen van de lopende dag en de voorgaande 28 dagen kunnen overleggen. Vanaf 31 december 2024 is het verplicht om de tachograafgegevens van dezelfde dag en de voorafgaande 56 dagen bij te houden. Wanneer de bestuurder die bladen niet kan overleggen, kunnen ze vervangen worden door een origineel attest van de werkgever. Dat attest is het EU-inactiviteitsattest. Het moet volledig machinaal ingevuld en door een verantwoordelijke van de onderneming ondertekend worden. De werkgever moet in geval van beschadiging, gebrekkige werking, verlies of diefstal van de bestuurderskaart, de beschadigde registratiebladen en de afgedrukte gegevens in leesbare vorm gedurende ten minste één jaar na het gebruik bewaren. De bladen moeten op verzoek van de controleambtenaren overgelegd of overhandigd worden. De onderneming moet een kopie van de bladen of de gedownloade gegevens overhandigen aan de bestuurder die erom vraagt.

Defect van de tachograaf Zolang het toestel defect is of gebrekkig werkt moeten de bestuurders de gegevens betreffende de tijdsperiodes, als die niet meer correct door het toestel geregistreerd worden, overbrengen op het of de registratiebladen of op een speciaal blad dat aan het registratieblad vastgehecht wordt of samen met de bestuurderskaart bewaard wordt. De werkgever moet een defect of gebrekkig werkend toestel laten herstellen door een erkend installateur of door een erkende werkplaats zodra de omstandigheden dit toelaten. Als het voertuig niet binnen een week nadat het defect is opgetreden of de gebrekkige werking werd vastgesteld naar de zetel kan terugkeren, moet de herstelling onderweg uitgevoerd worden.

Downloaden van de gegevens De gegevens van het geheugen van de digitale tachograaf moeten minstens om de twee maand overgezet worden op een beveiligd extern opslagmedium. De gegevens van het geheugen van de bestuurderskaart moeten minstens om de 21 dagen overgezet worden op een beveiligd extern opslagmedium. De onderneming moet alle gedownloade gegevens minstens vijf jaar bijhouden op eenzelfde beveiligde plaats waar enkel de gerechtigde personen toegang toe hebben. De erkende controleurs (politie, FOD Mobiliteit, douane, inspectie van de sociale wetten, sociale inspectie, RSZ) mogen de gegevens downloaden om ze te onderzoeken.

Attest « verklaring van activiteiten » Voor de dagen waarop de bestuurder niet gereden heeft als gevolg van bijvoorbeeld vakantie, ziekte of ongeval en hij de wettelijk vereiste schijven of de op zijn bestuurderskaart vereiste prestaties niet kan overleggen, kunnen deze vervangen worden door een origineel attest van de werkgever. Dat attest is het EU-inactiviteitsattest. Het moet volledig machinaal ingevuld en door een verantwoordelijke van de onderneming ondertekend worden.

Aansprakelijkheid van de vervoersondernemer

De vervoersondernemingenmoeten de volgende verplichtingen naleven: * het is verboden om de bestuurders te betalen, naar gelang van de afgelegde afstand zelfs niet wanneer dit geschiedt in de vorm van premies of loontoeslagen, ingeval dergelijke betalingen van die aard zijn de verkeersveiligheid in gevaar te brengen en/of inbreuken op deze Verordening aan te moedigen.

* het werk van de bestuurders moet georganiseerd worden zodanig dat deze de bepalingen van de rij en rusttijd kunnen naleven.

* Relevante instructies zijn aan de bestuurder gegeven, en regelmatige controles zijn uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de Verordening over rij en rusttijd nageleefd wordt.

De vervoersondernemingen zijn aansprakelijk voor inbreuken van de bestuurders van de onderneming, ook wanneer die inbreuken zijn begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land. Nochtans mogen alle bewijsstukken in overweging nemen die kunnen staven dat de vervoersonderneming redelijkerwijs niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de begane inbreuk.

2. Buiten de EU

Het AETR-Verdrag is in plaats van Verordening 561/2006 van toepassing op internationaal wegvervoer dat gedeeltelijk buiten de EU, de EER-landen of Zwitserland verloopt met: * Voertuigen die zijn ingeschreven in de EU of in de AETR-landen voor de gehele rit; * Voertuigen die zijn ingeschreven in een derde land dat geen overeenkomstsluitende partij is bij het AETR, alleen voor het gedeelte van de rit dat plaatsvindt op het grondgebied van de EU of van de landen die overeenkomstsluitende partij zijn bij het AETR. Het AETR-Verdrag en de verordening hebben derhalve een (gedeeltelijk) overlappend toepassingsgebied. Sinds de inwerkingtreding van de 6e wijziging op 26 september 2010 zijn de AETR en Verordening (EG) nr. 561/2006 geharmoniseerd, hoewel er nog enkele verschillen zijn. In het geval van bijvoorbeeld dubbele bemanning en in afwijking van de algemene regel mogen chauffeurs hun normale wekelijkse rusttijd met ten minste 45 uur verkorten tot een verkorte rusttijd van ten minste 24 uur. In tegenstelling tot de voorschriften zijn de wachttijden geldige onderbrekingen van de rijtijd. Hieronder volgt een toelichting op het territoriale toepassingsgebied van de AETR-verdrag:


Relevante wetgeving

Nuttige informatie

8 richtsnoeren van de juridische werkgroep (Europese Commissie):

Bewaartermijn administratieve documenten

© 2021 Instituut voor de autoCar en autoBus, alle rechten voorbehouden

Nederlands / Français